Leerzame renovatie Oosterpark

Dit artikel is op 30-11-2017 gepubliceerd.

Opdrachtgever: Tuin & Landschap
Website: http://www.tuinenlandschap.nl

Download »

Het Amsterdamse Oosterpark kreeg de afgelopen jaren een flinke opknapbeurt. De aanhoudende wateroverlast was één van de redenen om het park te renoveren. Na de renovatie bleken de water- en bodemproblemen echter nog groter dan voorheen en moesten er alsnog extra maatregelen worden genomen. Door de openheid van alle betrokkenen, is het project leerzaam voor iedereen die te maken heeft met de aanleg en renovatie van parken.

Het Oosterpark is een populair park in Amsterdam dat veel bezoekers trekt. Het park is 120 jaar oud en ontworpen door landschapsarchitect Leonard Springer in de toen populaire Engelse stijl. Daarin wisselen slingerende paden, verrassende doorkijkjes en open ruimtes elkaar af.

Zo’n tien jaar geleden ontstond het plan om het park rigoureus onder handen te nemen. Er was sprake van achterstallig onderhoud, het park was overgroeid, de voorzieningen waren verouderd en er was vooral veel wateroverlast. „Op veel plekken kon je niet op het gras zitten zonder een natte broek te krijgen”, illustreert projectmanager Byril Willemsen van de gemeente Amsterdam het probleem. „En dat terwijl het aantal bezoekers juist steeds verder toenam.”

Wateroverlast
Dat het Amsterdamse Oosterpark met afwateringsproblemen kampt, staat niet op zich. Alle 19e-eeuwse parken binnen de Ring in Amsterdam liggen door natuurlijke verzakking 2 tot 2,5 meter lager dan de omgeving. Daardoor stroomt het water naar de parken toe en is de grondwaterstand hoog.

De meest voor de hand liggende opties om de wateroverlast op te lossen, zijn het verlagen van de grondwaterstand of het ophogen van het park. Het verlagen van de grondwaterstand is echter schadelijk voor de funderingen in de omgeving en de beplanting overleeft de ophoging niet. Daarom heeft Stadsdeel Oost gekozen voor een verbeteringsslag binnen de bestaande situatie. Willemsen vertelt dat er verschillende maatregelen zijn genomen. Zo zijn er nieuwe drains aangelegd en zijn bestaande drains ontstopt. Ook zijn de twee grote grasvelden opgehoogd en is er langs het middenpad een molgoot aangelegd.

Natter dan ooit
Na de renovatie bleek echter dat de wateroverlast niet was opgelost. Sterker nog: de situatie was zelfs verslechterd. Dit uitte zich in sterke plasvorming op veel plekken in het park. Ook het groen had eronder te leiden: bomen legden het loodje en delen van de nieuwe beplanting deden het niet of onvoldoende. „Vrij kort na de oplevering ontdekte men dat het park misschien wel natter was dan ooit tevoren”, vertelt Gerrit-Jan van Prooijen, eigenaar van boomtechnisch adviesbureau Prohold in Arnhem.

Van Prooijen werd begin 2016 – een half jaar na oplevering – bij het project betrokken, om de problemen in kaart te brengen en mogelijke oplossingen aan te dragen. „Er moest iets gebeuren omdat er bomen dood gingen, maar tegelijkertijd was men bang om nog meer kapot te maken. Ondertussen werd de druk door betrokkenen en omwonenden opgevoerd.”

De adviseur werd daarom gevraagd een quick scan uit te voeren, waarbij hij helemaal terugging naar de basis. „Samen met een collega heb ik een dag met een spade door het park gelopen om proefsleuven te graven en grondboringen te doen. Daarbij hebben we gekeken naar de bodem(structuur) en de beworteling. Uit deze eerste inventarisatie bleek dat het heel slecht gesteld was met de bodem; het was echt schrikken.”

Zien, voelen en ruiken
Van Prooijen licht toe dat bij de beoordeling van de bodem de zintuigen – het zien, voelen en ruiken – een belangrijke rol spelen. Zo vertellen verkleuringen van de bodem en de wortels iets over de bodemgesteldheid. „Een blauwpaarse verkleuring van de bodem en de wortels duidt bijvoorbeeld op zuurstofgebrek.”

Ook de geur kan een sterke indicatie geven van de conditie van de bodem. Zo kan bij gebrek aan zuurstof in humeuze grond rotting optreden, wat een muffe lucht aan de grond geeft. „In extreme gevallen kan er moerasgas ontstaan, dan ruik je een gaslucht. En als een bodem veel zwavelverbindingen heeft, ruikt deze naar rotte eieren. Ook dat is een teken van gebrek aan zuurstof.”

Bij twijfel over de toestand van de bodem, worden volgens Van Prooijen aanvullende metingen gedaan met een penetrometer, zuurstofmeter of bodemgasmeter. „Soms doen we ook aanvullend onderzoek naar voedingsstoffen in het lab.”

Complex probleem
In dit project kwam Van Prooijen al snel tot de conclusie dat het probleem complex was en diverse oorzaken had. Enerzijds was er sprake van veel drang- of kwelwater dat vanuit de ondergrond omhoog kwam en tot plasvorming en oppervlakkig afstromend water – en dus verslemping – leidde. Anderzijds was de grond slecht doorlatend. Dit leidde tot sterke plasvorming na regenbuien, die tijdens de natte herfst- en wintermaanden langdurig bleven staan.

Ook was er zuurstofgebrek in de bodem, vooral veroorzaakt door de opgebrachte toplaag. „Op sommige plekken is 20 tot 40 centimeter grond op de bestaande grond gebracht. Daar houden boomwortels sowieso niet van; de uitwisseling van zuurstof wordt erdoor bemoeilijkt. Ook kunnen er storende lagen ontstaan als je grond ‘kaal’ op de ondergrond aanbrengt. Je kunt zelfs drijfzand krijgen en dat is hier ook gebeurd.”

Daarnaast speelde mee dat een deel van de opgebrachte grond uit een depot kwam, elders in het park. „Als grond wordt opgepakt, gezeefd en verplaatst, raak je de structuur kwijt. En om die structuur weer te herstellen, heb je bodemleven nodig. Maar dat kost tijd.”

Bovendien is een belangrijk deel van het grondwerk onder natte omstandigheden en met zwaar materieel uitgevoerd. „Het risico op structuurbederf en verdichting is dan heel groot; zelfs als de grond in basis een goede structuur heeft. Het heeft hier in ieder geval voor verdere verdichting van de grond gezorgd, dat zich als een storende laag onder de opgebrachte grond manifesteerde. Op sommige plekken leek de onderlaag wel van beton.”

Cruciale factor
Vanwege de verschillende bodemproblemen – verdichting, structuurbederf, storende lagen, storende overgangen – was er volgens de adviseur niet één allesomvattende oplossing. Hij besloot zich daarom eerst te richten op de meest cruciale factor: de luchthuishouding. Een bodem met voldoende luchtgevulde poriën, kan immers niet te nat zijn. „In lucht zit 20% zuurstof en de gemiddelde boomwortel heeft minstens 16% zuurstof nodig”, legt Van Prooijen uit. „Als dit onder de 10% daalt, sterven veel wortels af. Daarom waren lucht en zuurstof de toverwoorden bij het oplossen van de problematiek. Al het andere was van latere zorg.”

De eerste stap was het doorbreken van de verstikkende toplaag. Hierbij zijn bij de bomen in de beplantingsvakken handmatig een groot aantal beluchtingsgaten gemaakt. „Vanwege de kwetsbaarheid van de verzadigde en structuurloze toplaag, mocht de grond niet zwaar worden belast. Om te voorkomen dat de gaten zouden verdichten met de verzadigde grond eromheen, zijn ze opgevuld met grof zand of fijn grind.”

Toen bleek dat dit verbetering bracht, zijn de werkzaamheden uitgebreid. Vanaf maart 2016 heeft Van Prooijen een aantal maanden lang gefaseerd diverse maatregelen genomen ter verbetering van de bodemstructuur en de zuurstof- en waterhuishouding. Hierbij werden onder andere plantvakken omgespit en buisjes met drainzand aangebracht, zodat het water makkelijker kon weglopen. Ook zijn 220.000 tijgerwormen uitgezet ter bevordering van de bodemstructuur. Daarnaast werd een mulchlaag aangebracht om de bodem te beschermen tegen verslemping door regenval.

Volgens Van Prooijen heeft ‘het met de spade door het park gaan’ het begin van het herstel mogelijk gemaakt. „Met het boren van de gaten en de afvoer van het water, hebben we een proces in gang gezet in de hoop dat de natuur en het bodemleven het werk zouden overnemen.”

Monitoring
Het effect van de maatregelen wordt nauwlettend gevolgd. Volgens Van Prooijen is de situatie op een aantal plaatsen al aanmerkelijk verbeterd. Zo is de bodem aanzienlijk droger en blijkt uit metingen dat de hoeveelheid zuurstof in de bodem toeneemt.

Ook worden sinds de reconstructie 88 bomen met een verminderde conditie gemonitord. Hierbij wordt gekeken of er een relatie is met de reconstructie. Er gaan immers ook bomen dood door ziekte, aantasting of ouderdom.

De adviseur verwacht dat er uiteindelijk zo’n 50 tot 60 bomen afsterven. „Op een totaal van meer dan duizend bomen valt dat nog wel mee. Maar het is niet nodig; elke boom is er één teveel.”

Evaluatie
Na afloop van de renovatie is er een evaluatie uitgevoerd door een externe partij. Daarbij is geanalyseerd wat er tijdens het project goed ging en wat er is misgegaan. De evaluatie leverde 44 aanbevelingen op, die zijn samengevat in een evaluatierapport. De aanbevelingen zijn direct toepasbaar in de verschillende fasen van toekomstige parkrenovaties.

De belangrijkste lessen zijn die met betrekking tot de kwetsbaarheid van de bodem en de (grond)watersituatie (zie kader). Van Prooijen: „Voor een park is de bodem je werkkapitaal; een gezonde bodem zorgt voor gezonde bomen. Maar het is vaak een ondergeschoven kindje en dat moet echt veranderen.”

Ook in dit project ging er volgens Van Prooijen veel aandacht naar speelplekken, verlichting en verharding. „Datgene wat we zien, krijgt veel aandacht. Maar datgene wat we niet zien en eigenlijk de basis vormt van het park, wordt vergeten.”

De adviseur ziet nog altijd plekken die beter kunnen. „De naweeën van de reconstructie zijn nog steeds zichtbaar. Maar als ik bedenk hoe het er 1,5 jaar geleden uitzag, zijn er hele mooie, grote stappen gezet. Ook het feit dat het project is geëvalueerd en er een protocol is opgesteld, is een mooie ontwikkeling. Het is goed dat de bodem en beplanting de volgende keer kritischer worden meegewogen. Kijk, fouten maken hoort bij het leven. Maar van alles wat er in dit project fout is gegaan, is heel veel geleerd. En dat is een groot winstpunt.”

Veel geleerd
Ook Willemsen is blij met het evaluatierapport; ze noemt het een heel belangrijk document voor projectmanagers en iedereen die betrokken is bij het werk aan parken. Eén van de belangrijkste lessen was dat niet het gebruik van het park, maar de bodem en de beplanting leidend moeten zijn tijdens een renovatie. „We hebben er toen voor gekozen om de werkzaamheden in een zo kort mogelijk tijdsbestek in de winter uit te voeren. Omdat het park druk werd bezocht, wilden we het zo snel mogelijk weer openen. Die keuze zou ik nu nooit meer maken.” Ook zou ze bodemdeskundigen een volgende keer al tijdens de planvorming bij een project betrekken. „In dit geval gebeurde dat pas bij de toetsing en dat was veel te laat.”

Hoewel ze er nog niet helemaal zijn, is Willemsen zeker tevreden met het resultaat dat er nu ligt. „Het park is echt opgeknapt en de uitbreiding begint ook vorm te krijgen. Inmiddels krijgen we veel positieve reacties. We hebben absoluut een verduurzaming tot stand gebracht; de structuur is teruggekomen en de verrommeling is eruit. Wat dat betreft kan ik echt met trots door het park lopen!”


Adviezen voor de toekomstige aanpak van parken:

    – Maak het verbeteren van de bodem en waterhuishouding tot een prominente doelstelling en maak dit ook duidelijk bij de aanbesteding.
    – Installeer structureel een uitgebreid netwerk aan peilbuizen in kwetsbare parken, zodat er bij de start van een renovatieproject – in combinatie met actueel bodemonderzoek – gedetailleerde kennis aanwezig is.
    – Beperk grondwerk zoveel mogelijk, voer geen grondwerk uit binnen de kroonprojecties en hoog geen grond op bij monumentale bomen. Neem daarnaast het principe van de gesloten grondbalans niet als uitgangspunt, maar beslis over hergebruik op basis van de kwaliteit van de grond.
    – Scherp de afspraken aan voor het materieel waarmee wordt gewerkt in natte parken (hoger dan RAW-normen) en neem dat expliciet op in het bestek.
    – Zorg voor voldoende deskundigheid bij de betrokken partijen. Betrek voor, tijdens en na de uitvoeringsfase specialisten op het gebied van bodem, water en beplanting.
    – Zorg al vroeg in het traject voor een gedetailleerde bomeninventarisatie en een effectanalyse, zodat alle betrokkenen de consequenties van te nemen besluiten vooraf goed overzien en er later geen aanleiding is om daar op terug te komen.
    – Te grote tijdsdruk en gemeentelijke subsidieregelingen kunnen leiden tot beslissingen met risico’s voor de kwaliteit van het eindresultaat. Bijvoorbeeld wanneer er te weinig tijd is voor toetsing van het bestek of wanneer wordt gewerkt in ongeschikte weersomstandigheden.
    – Op de beheerafdelingen is vaak veel ervaring en kennis aanwezig over het park, de bomen, de beplanting en de infrastructuur. Het is belangrijk deze kennis in te zetten ter ondersteuning, aanvulling en soms als tegenspraak van de deskundigen.
    – Gun het park na de renovatie een herstelperiode en stem daar de programmering na heropening op af.